De Blauwe samenleving

Discipline & Orde

Orde is een belangrijk aspect. Je plaats in de maatschappij, je rol wordt bepaald door geboorte. De rollen liggen vast. Er is een duidelijke zwart-wit-verdeling tussen goed en slecht.

De orde wordt bewaard door discipline, o.a. op het gebied van kuisheid en de 7 hoofdzonden. Wie regels overtreedt wordt gestraft. Maar de grootste controle gaat uit van schuld en boete.

De zwakheid van de wil

Augustinus (354-430 n. Chr.), één van de vier Latijnse Kerkvaders, was voor 1000 jaar één van de sterkste invloeden in het westerse denken. Zijn bekendste tekst is de Belijdenissen, dit is een soort lang gebed, een gesprek met God. Hij wordt gezien als de uitvinder van het individu. Hij verbleef een tijd bij de elite in Rome, daarna werd hij bisschop van Hippo (nu Annaba, Algerije). Daar had hij een meer gemiddeld provinciaal publiek en had daardoor een realistischer beeld over de grenzen van de menselijke wil en motivatie.

Hij was het oneens met de antieke visie om de antwoorden en zelfverbetering buiten de fysieke wereld te zoeken. Persoonlijke volmaaktheid door cultivering van het intellect leek onbereikbaar. Alleen het intellect kon zo arrogant zijn te denken dat de menselijke wil volledig zelfbepalend is. Er was meer voor nodig dan alleen de rede om mensen te motiveren. Je hebt de macht der gewoonte en slechte momenten van zwakte.

Hij zag de wil als midden tussen begeerte (je verlangens) en de rede (het intellect), het zelf was deels autonoom, deels afhankelijk. Om van je slechte gewoonten af te komen was de goddelijke genade nodig. En de verlossing komt voor wie nederigheid vertoont. Hierin is de elite niet beter dan het gewone volk. Jezus had immers gezegd dat de liefde van God er voor alle mensen is. Hierin is Augustinus sterk beïnvloed door de apostel Paulus. Hiermee had hij indirect kritiek op de aristocratische structuur van de antieke wereld.

Bekering was slechts het begin. Hierna was het gebed de manier om de genade te zoeken. Met God kunnen we onze diepste worstelingen bespreken. Je zal de hele tijd falen om je intenties waar te maken, want je bent mens, maar met de liefde van God kan je weer opstaan en opnieuw proberen. Om deze genade te kunnen ontvangen moet je dan nederig je zwakheid tegenover God belijden. Denk ‘God ik heb gezondigd’. Dat is de ware vroomheid.

“Een mens kan niet hopen God te vinden, tenzij hij eerst zichzelf vindt: want deze God is ‘dieper dan mijn diepste zelf’. God ervaren gaat beter’ naarmate we ‘dieper ‘in onszelf’ afdalen. Tragiek van de mens dat hij gedreven wordt naar buiten te vluchten en verliest dan het contact met zichzelf, weg van zijn eigen hart.”

Peter Brown over de Belijdenissen volgens Larry Siedentop – De uitvinding van het individu (2022)

Pelagius is het tegenwicht van Augustinus, hij blijft bij de elite in Rome. Hij wil de idealen van het christendom niet afzwakken met fatalisme. God eist alleen gehoorzaamheid die binnen het menselijk vermogen ligt, dus als je wil dan kan je daaraan voldoen. Hij wilde met name het recht en bestuur verbeteren volgens de christelijke waarden. Want ook al was de samenleving nu officieel christelijk, slavernij en marteling zijn nog gemeengoed en openlijk aanwezig. Netals de familiecultus en pater familias en het geven uit trots van de rijken. Er is nog geen controle op de heersende klasse. En ook heerst het idee dat de invallen van de Germanen en de inname van Rome (410 n. Chr.) komt door het afzweren van de oude goden.

Augustinus werpt tegen dat de Kerk alleen kan helpen met het vormen en behoeden van het individuele geweten, door nederigheid, zelfbeheersing en gebed aan te moedigen. Ook de gelovigen zijn verre van volmaakt. In zijn stad houden ze ook van eten en seks, kunnen ze ijdel, gierig en woedend zijn. Maar aan de andere kant hebben ze een geweten, het (helpen) verbeteren is onze taak in dit sterfelijke bestaan. Het leidt tot nieuwe houdingen en gewoonten, want hiervoor waren het vooral theoretische opvattingen.

Kuisheid als ideaal

Kuisheid kon in rood ook al verplicht zijn, bijvoorbeeld bij meisjes vóór hun huwelijk en priesteressen, zoals de dochter van Sargon van Akkad en de Vestaalse maagden bij de Romeinen. Maar in blauw wordt dit geïnternaliseerd, uiteindelijk wil men geen eens seks meer.

Discipline speelde een grote rol bij de stoïcijnen. De Romeinse keizer Marcus Aurelius ging er prat op dat hij geen seks had met zijn slaven, terwijl er wel heel aantrekkelijke bij zaten. Vanaf 100 n. Chr. werd bij de stoïcijnen en de elite het paar de norm. De vrouw was nu opgeklommen tot de rang van vrienden. Maar je moest haar nog steeds niet als een vulgaire maîtresse behandelen. Seks (met haar) was er alleen om kinderen te maken.

In de 1e en 2e eeuw n. Chr. vindt een grote verandering plaats. Hiervoor werd lichamelijk genot als iets positiefs gezien en was er een redelijke seksuele vrijheid. Hierna gaat men het genot afwijzen. De joodse, Grieks-Latijnse en gnostische idealen beïnvloeden het christendom. Van de 1e – 4e eeuw n. Chr. verspreidt het kuisheidsideaal zich in de praktijk: leven als monnik in de woestijn. Clemens van Alexandrië (150 – 215 n. Chr.) legt als eerste de link tussen de erfzonde (dit was eerst een geestelijke daad) en de geslachtsdaad. Het was hier ook Kerkvader Augustinus (395 – 430 n. Chr.) die de koppeling definitief maakt: vleselijke lust geeft de erfzonde door. De mensheid is in zonde verwekt. Er ontstaat een verharding tussen de tegenstelling vlees – geest. Het vlees is zwak en de oorzaak van zonde. In de 5e – 12e eeuw ontstaan de 7 hoofdzonden, alle zonden des vlezes, waaronder wellust en gulzigheid. Want seks gaat vaak samen met te veel eten en dronkenschap.

De iconen van het christendom zijn een goede inspiratiebron, Maria was maagd en Jezus leefde celibatair. In de praktijk wordt het klooster het seksuele model in ideale vorm, het samenleven voor God mét de complete afwijzing van seks. In het begin zijn dit gewijde maagden die afgezonderd leven in speciale huizen binnen de gemeenschap, de echtgenotes van Christus. Hierdoor wordt het voor elitaire vrouwen mogelijk om los te komen van hun familie(verplichtingen). Het wordt gezien als een grote zege over de seksualiteit en heeft veel aanzien. Pas eind 3e eeuw ging het ook over de onthouding voor mannen. Lisette ‘Thooft stelt dat door de kuisheid van de monniken en nonnen, mannen en vrouwen in de westerse wereld met elkaar kunnen omgaan zonder dat er meteen seks van hoeft te komen.

De apostel Paulus geeft aan dat geen omgang beter is, maar als je je toch niet kan beheersen dan is er het huwelijk. Als er dan toch zoveel ontucht is dan beter met je eigen man of vrouw. In het Nieuwe Testament is het huwelijk onontbindbaar en monogaam. Er zijn hiermee 3 vormen van kuisheid, van beter naar slechter: maagdelijkheid, weduwschap en het huwelijk. Tussen de voorschriften en de praktijk bij het volk zat echter een diepe kloof. Dit zorgde voor minachting richting de lagere klassen. Er werd gedacht dat omdat horigen ook meer slaaf van hun vlees zijn, ze daarom ook slaaf van hun heer horen te zijn.

In de middeleeuwen ontstaat het sodomieconcept, waaronder: homoseksualiteit, sodomisatie van de vrouw, coitus langs achteren en coitus waarbij de vrouw op de man ligt. Allen zijn verboden. Tot in de 12e eeuw worden homo’s in de praktijk wel toegestaan, ook binnen de Kerk. Vanaf de 13e eeuw worden zij als ketters behandeld.

De man impotent, de vrouw frigide.

Uit Oorlog en terpentijn, de oma van de schrijver woedend omdat haar man haar per ongeluk naakt had gezien.

.

Boete en Schaamte

In de vroege Kerk, aan het begin van de derde eeuw, ontstond het idee van boete doen als vaste kerkelijke praktijk. Boete begon met een publieke bekentenis voor de hele congregatie van kerkgangers. Daarna werd je tijdelijk uitgesloten, moest je een boetekleed aan en as in de haar doen, vasten en kreunen, bidden en uitroepen tot God. Voor lichtere alledaagse zonden was er een routine van publiek opbiechten voor elke zondagmis. Hiervoor waren vier gradaties van boetelingen die ieder hun eigen plaats hadden bij de kerkdienst. De huilers bleven buiten. De hoorders mochten in de ingang staan en moesten na de mis vertrekken, nog vóór de eucharistie. De knielers bevonden zich achter in de kerk en knielden tijdens de gebeden, herkenbaar aan hun boetekleed en de as in hun haar. En dan waren er de bijstaanders die tussen de gewone kerkgangers mochten staan maar niet mochten spreken.

In de derde en vierde eeuw werd boete doen steeds prominenter en systematischer, mede omdat de Kerk meer gezag kreeg. Tegelijk was het geen praktijk hetzelfde en werd het niet overal gedaan. Ook bestond binnen de Kerk aanvankelijk twijfel of ook de zwaarste zonden wel konden worden toegelaten tot boete, zonden als afgoderij, ontucht en moord. Onder protest van sommigen werd dit ook toegestaan, maar dan duurde de boete langer en was zij zwaarder. Begin 5e eeuw kwam men ook met een jaarlijkse ceremonie op de donderdag voor Pasen. Of je moest op sterven liggen dan mocht het eerder.

Niet overal moest de bekentenis openbaar zijn, alleen het boete doen. Augustinus vond dat zonden zonder schandaal niet per se openlijk hoefden te worden uitgesproken. Voor zulke zaken konden mensen ook in stilte bidden, vasten en aalmoezen geven. Paus Leo sloot daarbij aan en waarschuwde dat een publieke bekentenis de zondaar in gevaar kon brengen, bijvoorbeeld voor vijanden of voor wereldlijke vervolging. Ook speelde de angst mee dat mensen het dan juist verborgen zouden houden. In Marseille (496 n. Chr.) kon met ook het klooster in gaan in plaats van boete te doen.

In het Oost-Romeinse rijk ontwikkelde zich geleidelijk de mogelijkheid om boetedoening te herhalen. In het westen kon dit echter alleen eenmalig. Dit hield in dat de meesten wachtten tot op hun sterfbed en het minder openbaar werd. De bisschop van Arles (502-542 n. Chr.) vond één of hooguit twee keer nog verdedigbaar. Ook bestond het idee dat sommige zonden zo groot waren dat alleen God ze kon vergeven, hoewel in de praktijk bisschoppen dit beoordeelden. Excommunicatie door hen was een goede indicatie voor eeuwige verdoemenis.

Er circuleerden meerdere lijstjes van zonden waarmee je, zonder boete te doen, niet de hemel zou bereiken. Gregorius de Grote legde eerst de nadruk op twee grondkrachten, hoogmoed als opstand van de geest tegen God en wellust als opstand van het vlees tegen de geest, en rangschikte vervolgens andere ondeugden zoals ijdelheid, afgunst, woede, neerslachtigheid, hebzucht en gulzigheid. Deze ordening zou door de meeste middeleeuwse schrijvers aangehouden worden als de 7 hoofdzonden.

Toch werkte het westerse systeem van eenmalige publieke boete in de praktijk steeds minder goed, juist in een tijd waarin de maatschappelijke orde onder druk stond door de invallen van de barbaren. In de zesde eeuw beschreef Gregorius van Tours in zijn Geschiedenis van de Franken een wereld van geweld en wreedheden die ongestraft bleven, verraad, intrige en corruptie bij vorsten, edelen, geestelijken en gewone mensen. Vaak werd er wraak gepleegd en soms werd geweld afgekocht via betalingen volgens Germaanse gebruiken. De vendetta werd door de Romeinse bevolking overgenomen. Er verschenen wel nieuwe kerkelijke voorschriften in een poging op de discipline te herstellen. Maar de regels waren voor de Romeinen al te streng geweest en op de barbaarse samenleving hadden ze nog minder effect.

Schaamte is een secundaire emotie. Anders dan schuld gaat schaamte over wie je bent. Bij schuld is het wat je doet, bijvoorbeeld je steelt van je partner, dat werkt tegen liefde in en je geweten zorgt voor pijn. Het is een slim systeem en weer oplosbaar om de verbinding weer te herstellen. Maar schaamte kan niet hersteld worden. De schuld versterkt de schaamte: zie je wel, ik deug niet, ik steel.

Schaamte gaat over identiteit, een negatief kernidee over jezelf. Je bent niet waardevol, niet goed genoeg, minder dan de anderen om je heen en geen liefde waard. Het zorgt voor sterke negatieve emoties: pijn, angst, onzekerheid, zelfhaat, ontevredenheid, woede, jaloezie, afgunst, hopeloosheid en depressie. De delen die je niet leuk vindt aan jezelf ga je wegstoppen, maar dit zorgt weer voor nieuwe emoties, bijvoorbeeld woede, waardoor je chagrijnig of kattig bent of gaat zeuren. Hoe meer complex trauma iemand in zijn jeugd heeft opgelopen hoe meer schaamte er in die persoon leeft. Bij het volwassen worden blijft de kritische ouder in je hoofd rondspoken, niemand hoeft meer daadwerkelijk commentaar te leveren, dit gebeurt nu intern.

Penitentials.

.

Misdaad en straf

In Discipline, toezicht en straf (1975) schrijft Michel Foucault over een opmerkelijk verschil in straf. In 1757 wordt een moordpoging op de Franse koning gestraft met een gruwelijke openbare executie, terwijl een document uit 1837, niet veel later dus, uitgebreid verslag doet van een schema met dagindeling voor de gevangenen. De eerste kreeg veel kritiek vanuit de Verlichting, hoewel het tot de helft van de 18e eeuw de standaard was geweest in Europa. De tweede werd gezien als de meer ontwikkelde en humanere aanpak en leidde tot het moderne systeem wat Foucault ‘discipline’ noemt.

De Verlichting zelf is een typisch oranje ontwikkeling, maar op het gebied van criminaliteit breng het de idealen van blauw in de praktijk. Je kan zeggen dat foltering en executie meer horen bij rood, het laten gelden van je macht en zo iedereen in het gelid dwingen. In het nieuwe model worden zelfs de zielen van criminelen geholpen door ze boete te laten doen en de juiste leefwijze af te dwingen. Het blauwe systeem is zeker een verbetering ten opzichte van rood, maar het is ook een psychologische inbreuk op het individu.

(toevoegen Zonde, Boete, Schaamte, Schuld, Internaliseren)

Het Traditionele Gezin

De hoeksteen van de blauwe samenleving is het traditionele gezin. Maar veel hangt af van de periode waar je naar kijkt hoe dat gezin eruit zag. Alleen in de periode 1850-1940 was er sprake van de grote kinderrijke gezinnen. Dit kwam door een daling van de kindersterfte, het minder zelf zogen van de kinderen, het vroege trouwen en een langere levensduur van de gehuwden. Het kerngezin was wel al de standaard in West-Europa ver vóór de Industriële Revolutie, er woonden meestal geen 3 generaties in één huis zoals bij andere culturen. Zo’n gezin bestond gemiddeld uit 5 personen. Het relatief lage aantal had te maken met het korte huwelijk, men trouwde laat (vrouwen met 25 jaar en mannen met 28 jaar) en de korte levensduur van de gehuwden, en met de wisselende samenstelling van de kinderen, wegens overlijden of leer- of diensttijd ergens anders.

.

Ga naar de andere kleuren

.

Bronnen

“Incidentally this record is available in the foyer. Some of us got to live as well, you know.”

Eric Idle – Always look on the bright side of life – Life of Brian (1979)

Class – Paul Fussell

Foucault: A very short introduction – Gary Gutting

Medieval handbooks of penance – John McNeill, Helena Gamer

En de mens schiep God – Selina O’Grady

De waarheid over Eva – Karel van Schaik, Kai Michel

Het oerboek van de mens – Karel van Schaik, Kai Michel

De uitvinding van het individu – Larry Siedentop

De onverzadigbare vrouw en de afwezige man – Lisette Thooft

Jezus & Maria Magdalena – Lisette Thooft

Ontluikend christendom – Daniël de Waele